<Resultaat 1008 van 1419

>

Karel van de Woestyne aan Emmanuel de Bom, heil!
Ik neem een kwart-blad Hollandsch van Gelder papier, om er u op te schrijven dat gij nog geen Dierickx zijt,[1] maar nog steeds den de Bom die mij, bij mijn eerste bezoek ten zijnent — 'k was toen zestien jaar zeker — "mijn persoonlijk idee over 't Scheld" vroeg.[2]
'k Ben in lange niet zoo goed gekonfeit geweest in plezier dan bij 't lezen van dien "Moord". 't Is lekker. 't Smaakt naar nóg een beetje van dien kost. — Daarom juist moest ik u schrijven, en vond anders niet (want complimenten zijn zoo dom, niewaar) dan die verschrikkelijke agronomische flaters. Ge moet weten: mijn jongste broer[3] is de beste vriend van den zoon des zoons des ouden Burvenich's, die den besten landbouwleeraar van Oost-Vlaanderen is.[4] Zoodat ik natuurlijk eenige kennis in den groententeelt (merkt ge hoe nobel hier het woord "teelt" wordt?) heb opgedaan, en mijn ijverig proselytisme[*] heb gewijd aan 't voortplanten ("planten" is hier zeer gelukkig gevonden) mijner moestuin-lijke wetenschap. — Ik laat u overigens toe, mijne kennis in later werk te gebruiken, op voorwaarde dat ge uwe bronnen (bronnen zijn bij landbouw van onmiskenbaar nut) citeeren zult...
Neen maar, serieus. Ik vind dat laatste nummer van "Vlaanderen" zeer goed.[5] Natuurlijk dankt het dat goed-zijn, in eerste plaats, aan mijne verzen: ik vind ze delicieus; c’est du pur François Coppée. 't Is zoo lief. — Daarna komt, in mijne achting, "Een Moord", door Emm. de Bom. 't Is van die ouwe, goede novellen­literatuur die er toch wel mag zijn, niettegenstaande de Hollanders. Er is maar éen die óok nog zoo iets kan, iets volledigs en smakelijks kan geven, en dat is nog Johan de Meester, als hij eens wil vergeten dat hij journalist is. En d'er is nog éen die het kon, maar die het niet beter kon, en dat is Maupassant.
— Ge vindt zulke kritiek misschien... niet technisch-literair genóeg. Wijt het aan mijn onbelezenheid, maar niet aan mijne wélgemeende oprechtheid.
Wat ben ik blij, — al spijt het mij — dat gij mij Zondag niet bij van Oest hebt gevonden![6] Blij, natuurlijk, omdat ik het onuitstaanbaar hadde gevonden in aanwezigheid van van Oestens madam heeten koffie te slurpen, met zóo'n hitte! Spijtig omdat ik u en Streuvels niet heb mogen zien! Den vorigen donderdag had ik te Ukkel nog zoo aangenaam over u beiden met docent Vermeylen gepraat!... Enfin, ik hoop wel dat ge mij de part niet meer spelen zult mij uwe aanwezigheid in Gent onbekend te laten. 't Is wraak-roepend! Zelfs Pol de Mont begaat nooit zulke euvel-daad: hij meldt me trouw elk zijner bezoeken. Ongelukkig ben ik dan nogal eens afwezig.
Die zondag dan zong ik, zooals ge juist zegt, "ernstige liederen" bij mijn bruid;[7] in blanke verzen, omdat wit in den zomer het frischste is, verstaat-de? Wanneer ik nu trouw? Mensch, dat hangt van den Senaat af![8] Heb-de daar niet een senateur op uw duim draaien, die mij dadelijk benoemen doet?...
Maar 'k hoop toch dat het niet lang meer duurt. Daarom juist moet ge spoedig naar Laethem komen; want eenmaal getrouwd ga ik natuurlijk elders wonen, misschien wel in Ukkel, of op Linkebeek, of zoo iets.[9] — Wanneer komt-de? Ik leer u dan savooien afsnijden, tegen dat ge op Dierickx gelijken gaat.
Intusschen, met hand en tand, uw
Karel van de Woestyne
N.B. Hebt ge mij in "den Jongsten Sater" goed erkend?[10]
En raad ik juist (ik vraag het u als getrouwd man) in den "Epithalaam"?[11]

Annotations

[2] Tijdens welke ontmoeting dat precies gebeurde, valt niet te achterhalen, maar aangezien zij elkaar voor het eerst ontmoet hebben in 1896, was Van de Woestijne op dat moment achttien jaar, niet zestien.
[3] De jongste van de gebroeders Van de Woestijne heette Maurice (Maurits).
[4] Van de Woestijne bedoelt Frederik Burvenich.
[*] ‘Proselitisme’: bekeringsdrang.
[5] In het juli-nummer van Vlaanderen stonden bijdragen van Emmanuel de Bom ('Een moord'), Karel van de Woestijne ('Verzen. Ernstige liederen I-III'; 'Stille gesprekken': (1) De voorspelling, (2) 'Epithalaam'; 'De jongste sater'), Jef van Overloop ('Bakkersjongen'), August Vermeylen ('Kroniek. Particularisme? [I]'), en Paul Hamelius (Overzicht: L. Einstein: The relation of literature to history'). Alle gedichten van Van de Woestijne uit dit nummer werden gebundeld in De Boom-gaard der vogelen en der vruchten. Uit deze briefpassage, en meer specifiek uit de vergelijking van zijn eigen gedichten met die van François Coppée, blijkt opnieuw Van de Woestijnes waardering voor de poëzie van de zgn. 'Parnassiens', een laat-negentiende-eeuwse stroming in de Franse poëzie die het 'l'art pour l'art'-principe huldigde en zich van het romantische beeld van de dichter afkeerde.
[6] Wellicht bedoelt Van de Woestijne Gerard van Oest.
[7] De 'ernstige liederen' die zijn opgenomen in De Boom-gaard der vogelen en der vruchten bevatten allemaal eindrijm en zijn dus geen blanke verzen. Dat geldt ook voor het gedicht in die bundel dat is opgedragen 'aan mijne vrouw'.
[8] Zonder een vaste baan kon Van de Woestijne niet trouwen. Daarom hoopte hij in de senaat aan het werk te worden gesteld.
[9] Linkebeek en Ukkel waren de Brabantse dorpen waar respectievelijk Herman Teirlinck en August Vermeylen woonden.
[10] Zie noot 6.
[11] 'Epithalaam' (zie [5]) is een gesprek in dichtvorm tussen 'de man' en 'de vrouw'. Met de vraag 'En raad ik juist (...)' in deze brief verwijst Van de Woestijne wellicht naar het slot: (de man) '— o Vrouw, 'k heb mij met liefde omgórd; / ik word een érnstig man. (de vrouw) Zie, hoe ik schóoner word.'

Register

Naam - persoon

Burvenich, Frederik (° 1837 - ✝ 1917)

Leraar aan de Gentse landbouwschool, die een aantal publicaties op zijn naam had staan, voornamelijk in verband met tuinbouw en fruitteelt.

Coppée, François (° 1842 - ✝ 1908)

Franse dichter die tot 'les Parnassiens' behoorde. Hij publiceerde poëzie, theater en proza. Een tijd lang keerde hij zich af van het katholicisme, maar nog voor de eeuwwisseling bekeerde hij zich opnieuw.

Maupassant, Guy de (° 1850 - ✝ 1893)

Franse prozaschrijver van wie het werk tot de stroming van het naturalisme behoorde.

Meester, Johan de (° 1860 - ✝ 1931)

Prozaschrijver en journalist. Tussen 1886 en 1891 was hij vanuit Parijs correspondent voor het Handelsblad, om vervolgens tot 1927 als criticus te werken voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Het proza van De Meester (o.m. Een huwelijk, 1890 – Zeven vertellingen, 1899 – Louise van Breedevoort, 1903 en Geertje, 1905) is vaak neerslachtig van toon.

Mont, Pol de (° 1857 - ✝ 1931)

Vlaams dichter, prozaschrijver, dramaturg, criticus en volkskundige. Hij studeerde in Leuven samen met Albrecht Rodenbach, met wie hij Het Pennoen (1878-1880) oprichtte. In 1904 werd hij conservator van het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten, en een jaar later stond hij mee aan de wieg van het tijdschrift De Vlaamsche Gids. Als dichter en criticus vertegenwoordigt hij de Tachtigers in Vlaanderen.

Oest, Gerard van (° 1876 - ✝ 1935)

Nederlandse boekhandelaar en uitgever die in 1901 in Gent een filiaal van De Nederlandsche Boekhandel opende en in 1904 in Brussel met een zelfstandige zaak begon. Zijn fonds bestond vooral uit kunstboeken en wetenschappelijke publicaties.

Overloop, Jef van (° 1878 - ✝ 1949)

Vlaamse prozaschrijver.

Streuvels, Stijn (° 1871 - ✝ 1969)

Pseudoniem van: Frank Lateur.

Bakker van opleiding, maar als prozaschrijver bekend geworden in tijdschriften als Van Nu en Straks, De Gids en De Nieuwe Gids. Hij was een vriend van Van de Woestijne en (vooral) van De Bom. Samen met hen stichtte hij het tijdschrift Vlaanderen (1903-1907). De vlaschaard (1907) en De teleurgang van den waterhoek (1927) zijn twee van zijn bekendste romans.

Teirlinck, Herman (° 1879 - ✝ 1967)

Auteur van romans, poëzie en theater. Heeft zowel aan Van Nu en Straks, Vlaanderen als aan het Nieuw Vlaams Tijdschrift meegewerkt, waardoor hij als het ware een halve eeuw de literatuur en de geest van de Van Nu en Straks'ers heeft voortgezet. Samen met Van de Woestijne publiceerde hij in 1928 de brievenroman De leemen torens.

Vermeylen, August (° 1872 - ✝ 1945)

Aanvankelijk sterk anarchistisch geïnspireerde en non-conformistische schrijver die het vooral moest hebben van zijn essays. Tot zijn voornaamste bijdragen aan Van Nu en Straks (waarvan hij in een aantal opzichten de geestelijke leider was) behoren behalve zijn literaire kronieken ook zijn opstellen Kritiek der Vlaamsche Beweging en Kunst in de vrije gemeenschap. Van de Woestijne had een ambigue relatie met hem. Hij noemde Vermeylen in een brief aan Lode Ontrop een 'groot dilettant, die zich veel vergist maar toch steeds verstandelijk-interessant blijft'. Vermeylen wordt vaak verweten dat hij zich na de eeuwwisseling steeds meer conformeerde. Na de Eerste Wereldoorlog koos hij voor een carrière in de politiek en werd hij een boegbeeld van de socialisten.

Woestijne, Maurice van de (° 1885 - ✝ 1943)

Jongste broer van Karel van de Woestijne.

Woestijne-Van Hende, Maria (Mariette) van de (° 1884 - ✝ 1968)

Echtgenote van Karel van de Woestijne. Ze trouwden op 13 februari 1904 en kregen samen een zoon (Paul) en een dochter (Lily). Dochter van een echtpaar dat in het centrum van Gent een zaak had waar spiegels werden gemaakt en verkocht.