<Resultaat 1206 van 1419

>

o Manuël, vergiffenis; maar ik heb een gansche week (tot gisteren-avond nog) in Gent gezeten, voor onplezierige dingen (zaken!) en voor plezierige dingen ook (een eerste communiefeest en de waarlijk uiterst-interessante tentoonstelling de Saedeleer-van de Woestijne: zou er, tusschen haakjes, geen goedkoop middel tot "Gesammt-ausstellung" in Antwerpen bestaan, Cercle Artistique of zoo?), met onpleizierige gevolgen (zaken?) en pleizierige gevolgen ook (ik heb aldus het Brusselsch bezoek van v[an] Dishoeck vermeden;[1] maar vertel aan niemand dat ik dat pleizierig vind!). Nu zit ik weer in Elsene, met de sedert lang vertrouwde pijn in mijn rug en in mijn achterhoofd, en vóor mijn bijziende oogen uwe jongste postkaart.[2] Om op dezelfde te antwoorden: ik ben niet doof. En à propos: wat zegt-de, rechtuit, van mijn vertaling?[3] Uw de La Montagne-opstel moest aldus geschreven worden;[4] 't is te zeggen dat ik het perfekt vind als inleiding voor de la Montagne's verzen; was het als studie bedoeld, wat schoon en noodig boek ware daarvan (door u) te maken! Want ik ken geen letterkundigen die minder vertrouwd zijn met hun eigen literatuur dan de Vlaamsche. Gij, die de rara avis,[*] de witte merelaar zijt onder ons, en de jaren van discretie ende verstand bereikt, mitsgaders de vriendschap der woordvoerders van 1878-80 veroverd hebt, en Antwerpenaar zijt (daar deze menschen het grootendeels van hart en van verstand, zooniet van geboorte waren) ik decreteer: schrijf, o Manuël>-enangelos, de literaire geschiedenis van de la Montagne zijn generatie, en 't nakroost zal u zegenen.
Ik vind Vermeylen zijn Kloos-artikel goed, maar een beetje pretentieus, een beetje zelfgenoegzaam;[5] vooral dat zelf-opwarmen van zijn Ahasverus is een beetje... Querdiaansch;[6] orakel ik. Of zijt ge van andere meening?... En van de tijdschriften maakt hij zich gemakkelijk af. Dat gaat naar het Netcheriaansche zweemen.[*] — Maar 't kan me niet meer schelen, nu ik er, gelukkig als een jonge god, van af ben!
Men zal me, overigens, onder de "vriendjes" niet dikwijls meer zien. Ik heb mijn bekomst aan redactiezittingen. — Toch blijf ik, natuurlijk, meêwerken, en druk. Lees in de April-aflevering de groteske poppen-tragoidia: "de Zuivere Jongeling en zijne Zatte moeder", door Karel van de Woestyne, soiffard d'Absolu.[7]
— Wat ge me zegt van Vermeylen die achter Antwerpsche plaatsekens hengelt mag me niet meer verwonderen.[8] Maar wat me verwondert is, dat hij níet begrijpt dat zulke dingen eerst aan u toekomen, en na u dan nog aan De Meyere en anderen. Dat is een gebrek aan delicatesse die mijn begrip te boven gaat. Had men hem de plaats aangeboden, dan, natuurlijk! Maar achterbaks, en zonder verwittiging, naar Antwerpen komen... Welke Potgieter beschrijft: "Vermeylen in Burgemeester's kamer"?...
Zeker, Manuël, komen wij bij van Looy, bij U, bij Nora, bij de andere vrienden, op 6 April, tenzij.... Maar ik hoop en vertrouw dat geen "tenzij" het ons beletten komt.[9]
Waarmede wij ulieden beiden gracielijk saluweeren.
Uw Karel.
Beste Emmanuel — t'en es toch nie serieus hé! Vele complementen van Mariette ook voor Nora.

Annotations

[1] Op 13 maart schreef Mariette van de Woestijne aan Van Dishoeck: 'Tot mijn spijt moet ik U melden dat mijn man voor enkele dagen gedwongen is in Gent te verblijven, en niet voor dinsdag terug kan komen, ik moet hem morgen gaan vervoegen en zal hem uwe kaart mede dragen'. Van de Woestijne moet dus wel op de hoogte zijn geweest van de komst van zijn uitgever, maar is niet tijdig naar Brussel teruggekeerd. Geciteerd uit: 'Altijd maar bijeenblijven'. Brieven aan C.A.J. Van Dishoeck, 1903-1907, p. 105.
[2] De kaart is niet bewaard.
[3] Karel van de Woestijne, 'Aischulos' Zeven op Thebe los (fragment)', in: Vlaanderen, jrg. 5, nr. 3 (maart 1907), p. 96-107.
[4] De Bom publiceerde in maart 1907 een beschouwing over Victor dela Montagne in Vlaanderen (p. 108- 115). De tekst werd ook gebruikt als inleiding op Dela Montagnes Gedichten, die in 1907 bij de Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur zijn verschenen.
[*] 'Rara avis': zeldzame vogel (witte raaf). Van de Woestijne kent de woorden mogelijk uit Juvenalis' Satires VI,165: 'Rara avis in terris, nigroque simillima cygno' (een zeldzame vogel op aarde, en het meest gelijkend op een zwarte zwaan). Het is onduidelijk of er staat: 'die de rara avis' of 'die den rara avis', maar het lijkt erop dat Van de Woestijne de verbuigings-n geschrapt heeft.
[5] August Vermeylen publiceerde in maart 1907 een 'Kroniek' in Vlaanderen over Willem Kloos' beoordeling van zijn eigen Tweede bundel verzamelde opstellen.
[6] Ahasverus is de naam van het hoofdpersonage uit de De Wandelende Jood, de roman van August Vermeylen (1906). 'Querdiaansch': zoals Israël Querido dat zou doen. Van de Woestijne doelt op de slinkse manier waarop Vermeylen zijn eigen werk tracht aan te prijzen, een manier van handelen die hij kennelijk met joden associeert, al is die associatie hier uiteraard uitgelokt door de vermelding van Vermeylens boek De Wandelende Jood.
[*] 'Netcheriaansch': gelijkend op het werk van Frans Netscher.
[7] Het verhaal 'De zuivere jongeling en zijn zatte moeder' verscheen niet in april maar in mei 1907 in Vlaanderen (p. 189-197). 'Soiffard d'Absolu': zuiplap van het Absolute.
[9] Van de Woestijne vergist zich van datum. Hij bedoelt 7 april. Zie brief 237, noot 4.

Register

Naam - persoon

Bom-Aulit, Eleonora (Nora) de (° 1879 - ✝ 1955)

Na een kortstondige relatie met Lode Ontrop huwde ze op 24 augustus 1901 met Emmanuel de Bom. Door haar permanent wankele gezondheid en de hoge mate waarin ze beïnvloed was door de (waan-)ideeën van 'waterdokter' Alwyn van Son, bleef het huwelijk echter 'in alle betekenissen van het woord onvruchtbaar'.

Dishoeck, Cornelis Anthony Jacobus van (° 1863 - ✝ 1931)

Nederlandse uitgever die niet alleen het tijdschrift Vlaanderen, maar ook tien boeken van Van de Woestijne heeft uitgegeven. Ze maakten in augustus 1899 kennis met elkaar tijdens het 25ste Taal- en Letterkundig Congres. Hun correspondentie werd in 1997 door Leo Jansen en Jan Robert uitgegeven onder de titel 'Altijd maar bijeenblijven'. Brieven aan C.A.J. van Dishoeck, 1903-1929.

Juvenalis, Decimus Junius (° 0060 - ✝ 0140)

Romeinse hekeldichter die vooral bekend is vanwege zijn Satirae.

Kloos, Willem (° 1859 - ✝ 1938)

Invloedrijke Nederlandse dichter en criticus. Medeoprichter van de literaire vereniging Flanor (1881). Medestichter en redactiesecretaris van De Nieuwe Gids (1885), waarin hij enkele klassiek geworden sonnetten publiceerde.

Looy, Jacobus van (° 1855 - ✝ 1930)

Nederlandse schrijver van proza en poëzie die ook furore maakte als grafisch kunstenaar. In 1885 had hij zijn literaire debuut gemaakt in De Nieuwe Gids. Hij correspondeerde geregeld met De Bom.

Meyere, Victor de (° 1873 - ✝ 1938)

Schrijver en volkskundige. Hij heeft Van de Woestijne geïntroduceerd in de groep rond Van Nu en Straks, het tijdschrift waaraan hijzelf tijdens de eerste reeks meewerkte. Van de Woestijne heeft hem eind april of begin mei 1895 voor het eerst ontmoet.

Montagne, Victor dela (° 1854 - ✝ 1915)

Bibliofiel, dichter en vriend van Emmanuel de Bom, die in 1907 zijn twee dichtbundels heeft heruitgegeven. Medestichter van het Tijdschrift voor Boek- en bibliotheekwezen. Hij vervulde verscheidene functies binnen het Ministerie van Justitie, waarvan hij uiteindelijk directeur werd.

Netscher, Frans (° 1864 - ✝ 1923)

Nederlandse schrijver en publicist die meewerkte aan de eerste jaargangen van De Nieuwe Gids, en vanaf januari 1896 zijn levenswerk begon te publiceren, zijn eigen tijdschrift De Hollandsche Revue, waarin aandacht werd besteed aan literatuur, politiek en wetenschap. Ruim een kwarteeuw was hij min of meer de enige redacteur van dit tijdschrift.

Potgieter, Everhardus Johannes (° 1808 - ✝ 1875)

Nederlandse schrijver van proza, poëzie en allerlei opstellen, voornamelijk in het mede door hem opgerichte De Gids, waarvan hij de belangrijkste redacteur werd.

Querido, Israël (° 1872 - ✝ 1932)

Joods-Nederlandse juwelier, journalist (voornamelijk bij het Algemeen Handelsblad), criticus en auteur van poëzie, theater en proza. Hij publiceerde soms onder het pseudoniem Theo Reeder.

Saedeleer, Valerius de (° 1876 - ✝ 1941)

Socialistisch en anarchistisch geïnspireerde landschapsschilder uit de eerste groep Latemse kunstenaars.

Vermeylen, August (° 1872 - ✝ 1945)

Aanvankelijk sterk anarchistisch geïnspireerde en non-conformistische schrijver die het vooral moest hebben van zijn essays. Tot zijn voornaamste bijdragen aan Van Nu en Straks (waarvan hij in een aantal opzichten de geestelijke leider was) behoren behalve zijn literaire kronieken ook zijn opstellen Kritiek der Vlaamsche Beweging en Kunst in de vrije gemeenschap. Van de Woestijne had een ambigue relatie met hem. Hij noemde Vermeylen in een brief aan Lode Ontrop een 'groot dilettant, die zich veel vergist maar toch steeds verstandelijk-interessant blijft'. Vermeylen wordt vaak verweten dat hij zich na de eeuwwisseling steeds meer conformeerde. Na de Eerste Wereldoorlog koos hij voor een carrière in de politiek en werd hij een boegbeeld van de socialisten.

Woestijne, Gustave van de (° 1881 - ✝ 1947)

Van zijn drie broers had Karel van de Woestijne met Gustave het beste contact, al was het maar omdat ze beiden artistieke aspiraties hadden. Na hun jeugdjaren in Gent vestigden ze zich in 1900 in Sint-Martens-Latem en werden ze spilfiguren van de eerste groep Latemse kunstenaars. Gustave groeide uit tot een van de bekendste Vlaamse schilders van de twintigste eeuw.

Woestijne-Van Hende, Maria (Mariette) van de (° 1884 - ✝ 1968)

Echtgenote van Karel van de Woestijne. Ze trouwden op 13 februari 1904 en kregen samen een zoon (Paul) en een dochter (Lily). Dochter van een echtpaar dat in het centrum van Gent een zaak had waar spiegels werden gemaakt en verkocht.

Naam - instituut/vereniging