<Resultaat 1315 van 1419

>

BRUSSEL N[OOR]D BRUXELLES N[OR]D 18 V 1913 17-18
Aan den heer
Fr[ank] Lateur
Lijsternest
Ingoyghem
VICHTE 19 V 1913 7-8
 

HÔTEL DES BOULEVARDS

BRUXELLES

TÉLÉPHONE:

VILLE A42 et 102.24

PROVINCE 2909

Waarde.

Hoe is het met den pastor?[1] — Ik heb opdracht van den Groenen Amsterdammer,[2] om tegen de huldiging een artikel te schrijven,[3] dat een paar weken op voorhand verschijnen zal met illustraties.[4] Voor den tekst kom ik dezer dagen naar Ingoyghem. Voor de foto's kom ik nu reeds bij u aankloppen. Bestaat er 1º van Verriest een goed portret uit den laatsten tijd? Is er 2º kans een te maken in zijne werkkamer? Een 3º ander met u naast hem?[5] En 4º een kiekje op Ingoyghem?[6] Dat zou al vier zijn. Daar ik wel tot zes kan gaan, zou ik een schilderij van Valerius geven[6] (als beeld van Zuid-Vl[aanderen]) en, als het comité erin toestemt,[8] eene reproductie van het portret dat Gustaaf moet teekenen.[9] Als de hierboven-gemelde foto's niet bestaan, zoudt gij ze niet kunnen (of willen) maken? Ik zou er u zeer dankbaar voor zijn, en de Groene natuurlijk ook. Wat zegt gij?

Antwoord mij, bid ik u, per omgaand. Het spreekt van zelf dat de kosten vergoed worden.

Hartelijkste groeten van huis tot huis,

en handdruk van uw

Karel van de Woestyne

Annotations

[1] Bedoeld wordt: Hugo Verriest.
[2] De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland werd door Johannes de Koo opgericht te Amsterdam in 1877, en aanvankelijk uitgegeven door Van Holkema en Warendorf. Vanaf 1880 verscheen het onder redactie van De Koo en Justus van Maurik jr. Aanvankelijk kwam de jongere generatie ruim aan bod, maar in 1894 verlieten velen van hen het blad voor De kroniek. In 1926 werd gekozen voor een nieuwe naam, die voordien al lange tijd in de volksmond werd gebruikt wanneer het over dit weekblad ging: De groene Amsterdammer. Karel van de Woestijne was als correspondent aan De (groene) Amsterdammer verbonden van midden 1911 tot 1915. Hij verzorgde er één of tweemaal per maand de Kroniek der poëzie.
[3] Op zondag 17 augustus 1913 zal aan Hugo Verriest — op dat moment vijftig jaar priester (maar sinds 1912 op rust) — uitgebreid hulde worden gebracht. Vele maanden voorbereiding gingen aan het feest vooraf. Voor de huldiging stroomden meer dan 15.000 mensen uit alle hoeken van het land samen, en ook talrijke Nederlanders waren van de partij. Het kruim van letterkundig Vlaanderen was aanwezig: o.m. Streuvels, Teirlinck, Van de Woestijne, Sabbe, De Bom, Van Boelaere, Van Oye en Van Langendonck waren present. Onder de feestredenaars bevond zich naast Verriest zelf o.a. ook August Vermeylen.
De organisatie was in handen van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen. Streuvels was bezieler en penningmeester, en spande zich wekenlang in om het feest te doen slagen. Over de Verriest-hulde heeft Streuvels geschreven in Ingoyghem (p. 60-62). Van de Woestijne schreef op 19 augustus 1913 in de Nieuwe Rotterdamsche Courant een verslag van de huldiging.
[4] Zie Karel van de Woestijne, 'Hugo Verriest', in: De Amsterdammer, 17 augustus 1913. Het was inderdaad rijk geïllustreerd. In de NRC verscheen op 19 augustus nog een andere tekst van Van de Woestijne over de Verriest-hulde: 'De een en twintigste Vlaamsche kop, mitsgaders eenige andere'. Daarnaast inspireerde Verriest hem in deze periode ook tot creatief werk. In Vlaamsche arbeid (8, p. 251) verscheen het gedicht 'Uit eene "Ode aan Hugo Verriest"'.
[5] In juni 1895 werd Verriest tot pastoor te Ingooigem aangesteld, en kort daarop zou Streuvels hem beter leren kennen op het instituut in Avelgem, waar beiden regelmatig aan tafel te gast waren; ze werden meteen goede vrienden. Op 1 februari 1897 had Streuvels een brief van Verriest ontvangen, waarin die zijn steun voor hem uitdrukte. De brief betekende veel voor Streuvels, die van thuis uit veel tegenwind ondervond vanwege zijn medewerking aan Van Nu en Straks. Over zijn vriendschap met Verriest heeft Streuvels o.m. geschreven in Avelghem, p. 243-245.
[6] Vanaf juni 1895 was Hugo Verriest pastoor te Ingooigem. In 1912 werd hij op rust gesteld, maar hij bleef tot zijn dood (in 1922) in het dorp wonen.
[7] Bedoeld wordt: Valerius de Saedeleer.
[8] Het is niet helemaal duidelijk of Van de Woestijne met 'het comité' de redactie van De Amsterdammer bedoelt (zie noot 2), dan wel de leden van de commissie die de hulde aan Verriest organiseerden (d.i. de VVL; zie noot 3).
[9] Bedoeld wordt het portret van Hugo Verriest dat Gustave van de Woestijne in 1913 schilderde.

Biographic notes

Bom, Emmanuel de (1868 - 1953)

Bibliothecaris in Antwerpen, prozaschrijver en journalist. Tussen hem en Streuvels ontspinde zich vanaf medio 1896 een hartelijke en levenslange vriendschap. De briefwisseling tussen hen beiden was vooral in de eerste jaren heel intensief, en werpt een belangrijk licht op Streuvels' evolutie als schrijver. Gebaseerd op deze correspondentie heeft Kathryn Smits een duiding van Streuvels' aanvangswerk gegeven in: Een nieuwe kijk op de jonge Streuvels (1993). Later verscheen dan nog Kathryn Smits, 'Een aardig bundeltje brieven'. De briefwisseling van de jaren 1900-1914 (Kapellen, Pelckmans, 2005).

De correspondentie tussen De Bom en Karel van de Woestijne, die ook erg goed bevriend waren, is eveneens uitgegeven. Zie Bert Van Raemdonck, Niks geniaal vandaag. De briefwisseling tussen Karel van de Woestijne en Emmanuel de Bom (Kapellen, Pelckmans, 2010).

Vermeylen, August (1872 - 1945)

Letterkundige, kunsthistoricus en essayist. Bezieler van Van Nu en Straks.

Verriest, Hugo (1840 - 1922)

Priester en letterkundige. In 1895 werd hij pastoor van Streuvels' parochie Ingooigem, waar hij tot zijn pensioen in 1912 in dienst bleef. Hij was een graag geziene vriend en gastheer van veel Vlaamse (ook andersdenkende) schrijvers, die meewerkte aan de tweede reeks van Van Nu en Straks en De nieuwe tijd (1896 1901). Verriest heeft Streuvels altijd gesteund, ook toen die uit conservatieve hoek tegenkantingen ondervond vanwege zijn medewerking aan Van Nu en Straks.

Saedeleer, Valerius de (1867 - 1941)

Schilder van (voornamelijk) landschappen, die tot de belangrijkste figuren van de eerste groep van Latem behoorde. Tijdens zijn eerste verblijf daar (1893) schilderde hij impressionistische doeken. Zijn tweede verblijf in het dorp (1898 1908) viel samen met een grondige ommekeer in zijn werk: onder invloed van de Vlaamse Primitieven ging hij landschappen schilderen in een uiterst strenge vormgeving en een gespannen, realistische en tegelijk dromerige stijl. Bij het begin van W.O. I week De Saedeleer uit naar Wales. De werken uit zijn Britse periode worden gekenmerkt door een gevoelig symbolisme, met reminiscenties aan het Engelse prerafaëlisme. In 1921 keerde hij naar België terug.