<Resultaat 142 van 1419

>

Cher de Bom,
Certes non! je ne m'attends point de ta part à des compliments "de révoltante banalité". Aussi ton approbation m'est elle d'autant plus précieuse qu'elle est sincère et qu'elle vient d'un fidèle de notre seule religion désormais: l'Art!
Ainsi je ne suis plus pour toi "un sphinx à l'âme insondable" un animal hiératique comme celui que tu as esquissé avec une primitivité toute égyptienne en tête de ta lettre?[1] Tu as résolu "le rébus de mon visage" (passe-moi l'expression!). Eh bien! vrai! je ne me croyais pas aussi indéchiffrable que les vieux papyrus.
Au fond je ne me connais peut-être pas moi-même, malgré l'obstination à me dissèquer intimement que je partage avec les poètes lyriques de tous les temps. Verhaeren a écrit cela quelque part:
"Avec les doigts de ma torture,
"Gratteur de mauvaise écriture,
"Maniaque dissèqueur de maux,
"J'écris encore des mots, des mots...
"— Quant à mon âme, elle est partie"[2]

Notre malheur — notre bonheur aussi — c'est en somme de subir trop les impressions du moment, d'être accessibles à mille sensations inconnues du commun peuple, de distinguer des nuances qui nous frappent où d'autres ne voient rien — et puis surtout la folie de vouloir fixer en des mots l'impalpable vibration, de vouloir saisir l'insaisissable. En face de cette impossibilité nous doutons de nous-mêmes et voilà ce qui est "la damnation [2] de l 'Artiste."[3]
Bon! je me mets à discourir gravement, à chercher les causes et les effets. Est-ce bête cette hantise qui nous poursuit de trouver le pourquoi de chaque chose, d'analyser nos pensées, nos sensations: nous perdons à ce jeu les trois quarts du plaisir qu'elles nous procureraient. Nous le savons, mais nous ne pourrions faire autrement.......
Je m'arrête! Car une fois lancé sur cette piste je continuerais jusqu'à demain matin à accumuler, à entasser ces idées qui roulent confusément en moi et qui forment la genèse de ce que j'ai écrit et de ce que j'écrirai. Car j'écrirai encore: les encouragements, les approbations des amis relèvent toujours mon énergie parfois faiblissante et ma confiance. Et après tout les meilleurs moments de la vie ne sont-ils pas ceux que l'on passe à construire l'oeuvre, à la concevoir, à la détailler, les moments où l'on s'évade du monde réel pour entrer dans le monde de sa pensée, dans le monde que l'on s'est créé de ce que l'autre a de plus beau! Qu'en penses-tu toi qui es du métier?
Ne t'illusionne pas trop sur "ce beau et vivant Bruxelles"! Je crois que tu calomnies trop Anvers. Nous avons certainement ici à l'heure actuelle une pléiade de "Jeunes" ardente au combat, mais nous nous noyons aussi dans pas mal de bourgeoisisme.
Et pourquoi dis-tu tant de mal de toi-même? Nous sommes tous un peu bourgeois "par nécessité" et par hérédité peut-être, à nos heures, aux heures où nos ivresses d'art cuvées nous sentons les jours vides et la vie sans intérêt.
J'espère que nous reprendrons prochainement ces entretiens... psychologiques de vive voix et que tu viendras bientôt à Bruxelles soit pour entendre Siegfried,[4] soit pour voir le théâtre libre d'Antoine qui nous arrive à la fin de la semaine prochaine.[5] En attendant je reste ton tout dévoué confrère en Art
Jacques Dwelshauvers (ou Mesnil)

Annotations

[1] Niet teruggevonden.
[2] Citaat niet teruggevonden.
[3] Naar Iwan Gilkin, La damnation de l'artiste (Brussel, Edm. Deman, 1890. De bundel was verschenen met een lithographie van Odillon Redon. Emmanuel de Bom van zijn kant ervoer deze vloek die op de kunstenaar rust op een veel puberachtiger manier: "La damnation de l'artiste — nooit geen vrouw mogen beminnen om de Vrouw altijd te kunnen beminnen. Hij mag geen mensch zijn, hij moet 'n Mensch zijn. Hij mag nooit trouwen. Hij mag nooit genieten in 't enkelvoud. Hij moet kuisch zijn, nooit volledig bezitten, want hij wil alles bezitten. Een enkele vrouw zal hem dus steeds voorkomen, als uitmakende een deel van de Vrouw. Dat is pijnlijk voor den mensch die in den artiest zit. Maar grootsch, verheven, ideaal voor den artiest die in den Mensch zit. Indien de Artiest — die met God verwant is — ongelukkig is dan is [[dat]] te wijten aan zijn menschelijk gevoel — het ongoddelijke in hem. Daar boven staan moet zijn streven zijn. Ontmoet de artiest nu echter eenmaal één Vrouw die al de vrouwen in zich vereenigt, dàn eerst zal hij de zielverwante gevonden hebben met wie zijn ziel zich zal kunnen omstrengelen — zoodat beiden één worden — en dan zal tevens zijn goden en zijn menschennatuur voldaan zijn." Zie Emmanuel de Bom, Notitieboekje XII, nov. 1891 (bezit AMVC), p. 99-101.
[5] Het Théâtre-Libre d'Antoine bracht van 27 februari tot 12 maart 1891 te Brussel in de Parkschouwburg een reeks gastvoorstellingen, waarvan de drie voorstellingen van Les revenants (Spoken) van Henrik Ibsen op 9, 10 en 11 maart 1891 het hoogtepunt vormden. Zie: 'Petite chronique', in: L'art moderne, XI, nr.8, (22 febr. 1891), p. 65; 'Le théâtre-libre à Bruxelles', in: L'art moderne, nr. 10, (8 maart 1891), p. 75-76; 'Petite chronique', in: L'art moderne, nr. 10 (8 maart 1891), p. 81; 'Les revenants d'Ibsen', in: L'art moderne, nr. 11 (15 maart 1891), p. 86-87; 'Memento', La jeune Belgique, X (1891), p. 190-191.

Register

Naam - persoon

Bom, Emmanuel Karel De (° Antwerpen, 1868-11-09 - ✝ Kalmthout, 1953-04-14)

Bibliothecaris, journalist en schrijver. Medeoprichter van Van Nu en Straks. Gehuwd met Nora Aulit op 24/08/1901 in Antwerpen.

Dwelshauvers, (Jean) Jacques (° Brussel, 1872-07-09 - ✝ Montmaur-en-Diois (Drôme), 1940-11-14)

Kunsthistoricus en militant anarchist.

Broer van Georges Dwelshauvers en gezel van Clara Köttlitz, met wie hij in 1897 een vrij huwelijk aanging. Deed beloftevolle studies aan het Koninklijk Atheneum Brussel (afd. Latijn-Grieks), waar hij A.Vermeylen leerde kennen. Studeerde 1890-92 natuurwetenschappen aan de ULB (diploma van kandidaat in juli 1892). Met een beurs van de Jacobsstichting vatte hij in oktober 1892 studies in de medicijnen aan te Bologna, samen met de latere geneesheren Herman Köttlitz en Alfred Walravens. Hij verliet Bologna in 1897, zonder de hele cyclus te hebben beëindigd.

In hetzelfde jaar begonnen de eerste strubbelingen met Gust Vermeylen, i.v.m. diens huwelijk met Gaby Brouhon en de strekking en inhoud van Van Nu en Straks. Het jaar daarop maakte hij een nieuwe reis naar Bologna en Bergamo. In het voorjaar van 1899 trok hij met Clara naar Firenze, waar hij zich voortaan geheel aan kunsthistorisch onderzoek wijdde, geboeid door de figuur van Botticelli en de kuituur van het Quattrocento. Hij zou in Firenze ook nog de toelating hebben gevraagd zich voor de eindexamens geneeskunde aan te bieden, maar legde die nooit af. Zijn verblijf in en om Firenze (afwisselend te Calamecca en te Castello), dat tot 1906 duurde, werd regelmatig onderbroken voor reizen naar het thuisland, en naar Parijs.

In 1899 werd te Antwerpen trouwens zijn zoon Lorenzo (Jean-Jacques Erasme Laurent) geboren (op de akte tekende o.m. Emmanuel de Bom als getuige), en het gezin was er officieel ingeschreven aan de Montebellostraat 3 tot 1906. In dat jaar, verhuisden zij naar Colombes bij Parijs (Boulevard Gambetta 46, niet-geregistreerde verblijfplaats). Dwelshauvers, die zich intussen Mesnil noemde (naar twee dorpjes bij Dinant, de geboortestad van zijn vaders familie), onderhield er nauwe contacten met de anarchistische en internationalistische beweging. Hij verdiende de kost met het schrijven van reisgidsen, eerst bij Hachette (o.a. de Guide Joanne - na W.O.I Guide Bleu - over Noord-Italië), nadien bij Baedeker.

Tussen 1910 en 1914 vestigde het gezin Mesnil zich te Alfort bij Parijs, waar - gezien zijn moeilijkheden met de geheime politie - evenmin een officiële inschrijving werd genoteerd. Jacques Mesnil stierf in niet opgehelderde omstandigheden te Montmaur, waar zijn zoon toen zou hebben gewoond; hij leed toen al enkele jaren aan een hart- en nierziekte waarvoor hij o.m. door dokter Schamelhout werd behandeld. Behalve aan Van Nu en Straks werkte hij nog mee aan Mercure de France, La société nouvelle, Ontwaking, Onze kunst, Revista d'Arte, Gazette des beaux arts, Burlington Magazine, de Parijse krant L'Humanité en het Italiaanse Avanti. Een bibliografie kan men terugvinden in de geciteerde bronnen.

Gilkin, Iwan (° Brussel, 1858-01-07 - ✝ Brussel, 1924-09-28)

Schrijver.

Redon, Bertrand Jean (gen. Odilon) (° Bordeaux, 1840 - ✝ Parijs, 1916)

Schilder, tekenaar, etser, lithograaf en publicist.

Verhaeren, Emile (° Sint-Amands, 1855-05-21 - ✝ Rouen, 1916-11-27)

Dichter.

Naam - uitgever

Deman, Edmond Georges Joseph (° Brussel, 1857-08-26 - ✝ Le Lavandou (Var), 1918-02-09)

Uitgever-boekhandelaar te Brussel.

Stamde uit een Franse familie. Werd erg bewonderd door Stéphane Mallarmé die omwille van Demans verzorgde vormgeving verscheidene Parijse uitgevers liet vallen om vanaf 1876 (met de verschijning van Prélude à l'après-midi d'un faune) in Brussel te publiceren; de voorpagina's van deze uitgaven waren het werk van Manet, Whistler, Renoir en Redon; Théo van Rysselberghe maakte versieringen (zie bv. Stéphane Mallarmé, Pages. Avec eau-forte de Renoir. Deman, Bruxelles, 1890). In 1888 gaf Deman Les Soirs van Verhaeren uit, en in 1889 Les Chimières van Jules Destrée, waarvan de typografie vergelijkbaar is met die van Henry van de Velde voor Van Nu en Straks. Vermelden we tenslotte dat de overlijdensakte van Deman in Le Lavandou door o.m. Théo van Rysselberghe als getuige werd ondertekend.

Titel - krant/tijdschrift

Art Moderne, L' (° 1881 - ✝ 1914)

Brussels artistiek weekblad.

Werd, zoals ook La jeune Belgique, bij Wwe Monnom gedrukt. Opgericht door de advocaat Edmond Picard, die toen werd beschouwd als de geestelijke leider van de Brusselse progressieve jongeren. Samen met Octave Maus, de bezieler van de kunstenaarskring Les XX (1884 - 1893), verdedigde hij in l'Art moderne o.m. het impressionisme en het wagnerisme. Het tijdschrift kan in zekere zin beschouwd worden als een voorbode van Van Nu en Straks: vooral Picards uitspraak dat kunst filosofische gedachte, synthese en leven is, wijst in die richting. Medewerkers waren o.a. C.Lemonnier, E.Verhaeren (die ook in de redactie zat), G. Eekhoud, E. De Molder (later schoonzoon van Fél.Rops) en H. van de Velde.

Jeune Belgique, La (° 1881 - ✝ 1897)

Literair tijdschrift.

Naam - instituut/vereniging

Théâtre du Parc (° 1782 - °)

Brussels theater.

Bestaat heden nog. Werd van 1879 tot 1892 bestuurd door Fr.Candeilh die de schouwburg een grote faam bezorgde door de Parij se theateractualiteit op de voet te volgen. Onder zijn leiding werd ook onuitgegeven werk gecreëerd van o.m. M.Maeterlinck, O.Mirbeau, H.Kistemaeckers en Th.Hannon. Hij nodigde gezaghebbende Franse acteurs en groepen uit, zoals S.Bernhardt in 1880 en het Théâtre-Libre d'Antoine in de jaren negentig. De eigen groep bracht doorgaans goede komedies, die bij het Brusselse publiek zeer in trek waren.

Theatre-libre (° 1887 - ✝ –, 1896)

Parijs theater.

Werd opgericht door A.Antoine, die vernieuwing wou brengen in het in conventies vastgelopen Parij se schouwburgleven. Het specialiseerde zich in het brengen van niet eerder vertoonde of weinig gekende stukken hetzij van buitenlanders (b.v. Tolstoj, Toergenjev, Ibsen, Strindberg), hetzij van eigen jonge debuterende auteurs of van auteurs uit de naturalistische school, van wie het werk elders niet aan bod kwam. Behalve een afwijkend repertoire, hield Antoine er ook eigen regieopvattingen op na: zo moesten zijn acteurs alle rollen spelen (i.t.t. de officiële theaters waar men typerollen speelde) en moesten hun kostumering, spel en diktie zo natuurgetrouw mogelijk zijn. Het Théâtre-Libre kende onmiddellijk grote bijval. Zijn faam verspreidde zich snel over Europa, zodat nog voor het einde van de eeuw op verschillende plaatsen gelijkaardige theaters werden opgericht, zo o.m. te Berlijn en Zürich (Die Freie Bühne) en te Londen (The Independent Theatre). In 1896 werd het door Antoine zelf omgevormd en herdoopt in Theâtre-Antoine, dat - zij het met meer omzichtigheid en zin voor zakelijk succes - de traditie van het Théâtre-Libre voortzette.